Vanaf de 13e eeuw wordt "de onderkant van de kurk" beschermd door een vestingwal met daaromheen een brede gracht. Deze grote rechthoek die zich uitstrekt aan weerszijden van de hoofdweg naar Parijs biedt vooral ambachtslieden en handelaren bescherming. In de middeleeuwen stimuleren de jaarmarkten van Champagne de opkomst van beroemde ambachten, met name glaskunstenaars en houtwerkers. Veel van de producten van de stad en zijn omgeving zijn vermaard om hun kwaliteit en hun innovatieve technieken: textiel (weven, wasserijen, ververijen), leder (looierij, bewerkt leer), perkament, enz.

Met de Saint-Jean wijk vormde, en vormt, de wijk van de Hallen het commerciële hart van de stad. Vanaf de 12e eeuw nemen rijke burgers de overhand ten opzichte van de adel en geestelijkheid en het sociale, culturele en politieke leven verschuift langzaam uit de "Kop van de kurk" (quartier de la Cité), naar deze richting.

In de 17e eeuw wordt het stadhuis gebouwd. De broers Pithou schenken in dezelfde periode hun bibliotheek, en een aantal huizen vlakbij de église Saint-Rémy aan de stad, waardoor het aangrenzende collège de la Licorne (Rue Gamby) kan worden uitgebreid.

In deze pittoreske wijk zijn nauwe middeleeuwse steegjes bewaard gebleven. Vakwerkhuizen worden hier afgewisseld door bijzondere 19e eeuwse gebouwen in de stijl van de architect Hausman, panden waarin grote warenhuizen en banken gevestigd zijn, zonder natuurlijk de Hallen van Troyes te vergeten.